Het onderwerp (o.) is het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert.
Je kunt het onderwerp herkennen op de volgende manieren (de pv is onderstreept):
- Wie of wat + pv (+ w.w.a.+ n.w.w.a. + n.d.)?
Jan / loopt / over straat. //
Wie loopt? --> Jan
- Je vindt de pv door een ja/nee-vraag te maken. Het onderwerp staat dan altijd achter de pv.
Sharon en Ellen / gingen / samen / een dagje / shoppen. //
Gingen / Sharon en Ellen / samen / een dagje / shoppen?//
- De getalproef (congruentie): als je de persoonsvorm verandert van enkelvoud naar meervoud (of omgekeerd) dan verandert het onderwerp altijd mee van getal.
Ik / wandel / naar huis. //
Wij / wandelen / naar huis. //